Er zijn zo van die plaatsen die eeuwig tot de verbeelding spreken. Zo ook Cairo en de piramides van Gizeh. Al duizenden jaren intrigeren ze historici en bezoekers zonder al hun geheimen prijs te geven. Aan de voet van deze imponerende wereldwonderen ligt een al even mythisch hotel waar de gasten verwend worden als waren ze Cleopatra in eigen persoon. Faulkner verbleef er en James Bond speelde er enkele scènes van ‘The spy who loved me’. Zelf droomde ik in het Mena House Oberoi een paar dagen van farao’s en allesbehalve vergane glorie…
Tekst: Griet Byl
“In front of you, you have the pyramids”, zegt de behulpzame kruier, terwijl hij mijn koffer neerzet en de deur naar mijn eigen privéterras opent. Ik kijk buiten, maar zie enkel de donkere contouren van een vage massa afsteken tegen de Afrikaanse sterrenhemel. Als ik de volgende morgen opsta na een verkwikkende nachtrust in mijn zalige bed, loop ik meteen mijn terras op. En jawel, daar staan ze. Groots en onwezenlijk afgetekend in het prille ochtendlicht. Zeer poëtisch en uiterst fotogeniek. Sprakeloos blijf ik staren naar dit staaltje van menselijk vernuft, tot het me duidelijk wordt dat ik beter kan opschieten. Gezwind begeef ik me dus naar het restaurant waar het uitgebreide ontbijtbuffet geserveerd wordt – ze hebben er zelfs foul, de plaatselijke lekkernij waarmee iedere Egyptenaar zijn dag begint. Onderweg kan ik niet naast de tijdloze elegantie kijken die deze plek uitstraalt.
Na een wandelingetje van een kwartier sta ik aan de voet van de piramide van Cheops, de grootste van de drie. Het is al druk, zo vroeg in de morgen, en toch ben ik de bussen vol luidruchtige hordes voor. Ik denk aan Belzoni en Mariette en de adrenaline die ze gevoeld moeten hebben bij hun ontdekkingen,om vervolgens af te dalen naar de sfinx. Nog zo’n onbegrijpelijk overblijfsel uit vervlogen tijden. Op het terras van de Sphinx Sun mijmer ik over zijn neus en de vele mannen die hier in de brandende zon zwoegden ter ere van de farao.
Jewel of the Nile
Ik keer terug naar het hotel voor een verfrissende duik in het prachtige zwembad. Ook hier domineert het beeld van de driehoekige piramidetoppen mijn horizon. De tuin is ronduit schitterend en ik nip van mijn tweede hibiscussapje. Met een scheutje citroen en appelsien. Goddelijk. Maar Cairo wacht, ik wil de Nijl op. Ik huur een boot en twee uur lang vergaap ik me in het gezelschap van de kapitein, zijn scheepsjongen en hun kat aan de majestueuze rivier. Luxueuze paleizen, weelderig groen, gouden moskeetorens, protserige hotels, kleurige paalwoningen, maar ook krotten, restaurantjes, boten, roeiers, vissers, noem maar op, je ziet het allemaal. Als de schipper me weer aan land zet, nemen we afscheid als vrienden. Hij regelt een taxi voor me naar het hotel. Het verkeer is een chaos van jewelste. Dit is niet alleen de grootste en drukste stad van de Arabische wereld, maar bovendien is het ramadan en de zon gaat bijna onder, dus iedereen wil maar een ding: eten. Zelf heb ik gereserveerd in het beroemde Indische restaurant van het hotel, de Moghoul Room. Het eten is heerlijk, de wijn perfect. Voorwaar een moment om te koesteren. Ik bestel een laatste glas in de bar van het hotel waar een prachtig meisje al even prachtig haar harp beroert. Een dag vol zoveel schoonheid, haast te mooi voor woorden.
Indiana achterna
De volgende ochtend zit mijn gids Riham me op te wachten in de lobby. Na een langdurige en vooral bewogen rit naar het centrum leidt ze me rond tussen de schatten van de farao’s. Verbijsterd sta ik voor de mummies die de tand des tijds hebben doorstaan. Ik waan me in mijn eigen versie van Indiana Jones. Dit museum en het geheimzinnige sfeertje dat er hangt, lijken dan ook zo weggelopen uit een film. Geïntrigeerd volg ik mijn gids naar de Koptische wijk, waar ik leer over verdraagzaamheid en religie, over beschaving en solidariteit, over geschiedenis en teloorgang. Mijn hoofd vol indrukken duik ik een laatste keer in het zwembad. Om half zeven loop ik naar de prachtig verlichte voortuin van het hotel. Ik word verwacht voor de iftar, het ontbijt dat moslims nemen bij zonsondergang. Tussen voltallige families die smullen van hun eerste maal, vraag ik me af wat ik eerst zal proeven. Ik geniet van het traditionele dikke abrikozensap en kiest uiteindelijk mologuya, de traditionele soep met gras en fattah met kip. En lamsvlees van de barbecue. Zalig met het platte versgebakken brood. Geen plaats meer voor het zoete gebak en de chicha laat ik ook aan me voorbijgaan.
Op dag drie rijden we rijden naar Heliopolis, het waanzinnige project van de visionaire (en Belgische) baron Empain die uit het niets een nieuwe stad liet bouwen. Zijn paleis staat er nog steeds en het steekt schril af tegen de rest van de stad. Jammer genoeg kun je het niet meer bezoeken. Wat je wel kunt, is snappen dat dit land inspireert tot grootse verwezenlijkingen. Bouwmeesters van de geschiedenis zijn het, die Egyptenaren. Ik weet maar een ding: hier wil ik terugkomen. En gauw.
www.oberoihotels.com/oberoi_menahouse/index.asp