“De zee leert ons nederigheid, de woestijn leert ons geduld”, aldus de Amerikaanse schrijver Tom Robbins. Ik kan het alleen maar beamen. In november vorig jaar organiseerde Jeep met zijn club een onvergetelijke expeditie door een van ’s werelds mooiste woestijnen, de Akakus, in het zuidwesten van het toeristisch haast onontgonnen Libië. En – halleluja! - ik mocht mee. Dag comfort, dag hectische drukte. Enkel nog zand, ruwe basaltvlaktes en oranjerode bergen. Plus solidaire expeditieleden en het al snel vertrouwde geluid van de motor. En, niet te vergeten, Paul Weller met zijn fantastische ‘Days of Speed’. Op het menu: een fikse stoot adrenaline, gevolgd door onwerkelijk zorgeloze rust, met levenslange herinneringen toe.
Tekst: Griet Byl
Foto’s: Stephen Papandropoulos
Vrijdag “Spannend”
De avond voor mijn vertrek na een bewogen week. Nog zoveel dingen te doen en ik krijg onmogelijk alles rond. Ik laat de boel de boel en ga uit eten met de hele familie. Acht dagen zal ik ze niet zien of horen, het voelt een beetje raar. Ik ga een week door de woestijn trekken, in een tentje slapen, onbereikbaar en ver van de bewoonde wereld. Ik stop een boek, mijn iPod en fototoestel in een plastic zakje tegen het zand, en klaar is kees. Morgen ben ik in Afrika!
Zaterdag “Een gehaaste man is al een dode man”
Na een vlucht met tussenstop in Frankfurt komen we aan in Tripoli, waar we een paar uur moeten wachten op de binnenlandse aansluiting naar Sheba, de vertrekplaats van onze expeditie. We proberen de tijd te doden in de ouderwetse cafetaria van het vliegveld – met een hoog seventies gehalte maar geen druppel alcohol – waar we gratis thee aangeboden krijgen. Stephen, mijn reisgezel en fotograaf, wijst me op de groepjes reizigers, uitgedost alsof ze Indiana Jones in persoon zijn. We hebben pech: er zijn slechts vijf tickets naar Sheba vanavond. De rest van de groep – waaronder Stephen en ik – blijven een nachtje in Tripoli. Het is volle maan buiten. We gaan Turks eten met de jongen van het hotel en bewonderen het Groene Plein dat verlicht is alsof er een voetbalwedstrijd moet beginnen. Er is geen vrouw te bespeuren, maar de kebab smaakt heerlijk en het alcoholvrije bier ook.
Zondag “Zand vreten”
Kolonel Gathafi - al veertig jaar aan de macht - is overal en de bevolking lijkt hem op de handen te dragen. Ik zie zelfs horloges met zijn beeltenis en koop zijn Groene Boekje. Als we in Sheba landen, staat het voltallige Jeep-team ons op te wachten. Indrukwekkend. Zij zullen ons een hele week lang begeleiden en de knepen van het vak leren. ‘Inchallah’ stuur ik naar huis, voor ik in de Wrangler stap. Net voor we de zandvlakte induiken, wordt er getankt. Met het hele konvooi neemt dat ongeveer een uur in beslag. Rechts van ons liggen de enorme zandduinen van de Murzuck Zandzee, met daaronder paradoxaal genoeg een van de grootste watervoorraden van het land. Die voorzien de kust via de kunstmatig aangelegde Man Made River van water. En dan is het zover. Nog een laatste politiecontrole en het asfalt houdt op. Meteen krijg ik een voorsmaakje van de rest van de week. We stuiven met de karavaan door het zand, de stofwolken zijn enorm. Voorlopig rijdt de instructeur, ik vraag me af hoe ik er ooit zal in slagen dit vehikel veilig te besturen. Langs de weg moedigen enorme groene borden met citaten uit de koran de toeristen aan om de woestijn te respecteren. Het licht is prachtig, het gevoel van ruimte dat me overvalt blijvend. Er is alleen nog zand, zelfs het water van onze voorraad smaakt ernaar. Als we net voor valavond halt houden in de Wadi Barjuj om onze bivak op te slaan, zie ik overal ronde bollen liggen. Het lijken wel dinosauruseieren. Vruchten naar het schijnt. We zetten onze tentjes op en lopen uitgelaten de duinen op. De kok serveert ons een heerlijk maal. Verrassend hoe simpel geluk kan zijn.
Maandag “Voor het eerst aan het stuur”
Ik heb geslapen als een baby in mijn piepkleine tentje, ingeduffeld als een eskimo. Overdag is het heet, maar ’s nachts serieus koud. Ik luister naar de geluiden van het kamp dat tot leven komt. Last van mijn ogen dat wel, bril ophouden vandaag. Na een uur rijdt een van de trucks vast. Solidair steekt iedereen een handje toe om hem weer los te krijgen. Een gevoel van zorgeloze vrijheid maakt zich langzaam maar zeker van me meester. Ik zie een vlinder, ongelooflijk toch midden in al dat zand. En dan rijd ik zelf. Geweldig. Ik schaterlach, tot groot jolijt van Frederique, mijn instructeur. We stoppen op de site van Matkhandouch, een archeologische vindplaats met rotstekeningen van duizenden jaren oud. Dit jaar heeft het uitzonderlijk veel geregend, dus de wadi aan de rotsen staat blank. De gravures van krokodillen, nijlpaarden en giraffen worden begrijpelijker: ooit was deze wadi een heuse rivier in de steppe. Na de zandvlakte volgt ’s namiddags een zwarte steenwoestijn. Het lijkt alsof we op de maan zijn terechtgekomen. Het contrast met de gouden duinen tegen de achtergrond is prachtig. Ik voel me nietig klein. Voorzichtig laveer ik de Jeep doorheen een keienveld met boomachtige sculpturen. Die zijn gestapeld door voorbijgangers om een herinnering achter te laten, met het oog op een behouden reis. Het plateau waar we ’s avonds kamperen, zou in de States kunnen liggen, met zijn okerkleuren, de uitgestrekte vlaktes en de afgeknotte bergen. Ik zie expeditieaanvoerder Philippe onder de prachtige sterrenhemel zitten schrijven aan zijn klaptafeltje, een beeld uit vervlogen tijden, toen ontdekkingsreizigers nog echte avonturiers waren, en slaap vervolgens negen uur aan een stuk.
Dinsdag “Verstilde schoonheid”
Als ik uit mijn tent stap, word ik getrakteerd op een van de mooiste plaatjes van mijn leven. De lucht is staalblauw, het is ijskoud en de maan staat nog aan de hemel. Instructeur Thierry verrast me met een kommetje warm water, pure luxe hier. Een dankbare attentie waarop hij me elke dag zal trakteren en die tekenend is voor de sfeer in de groep. Dan verschijnt de zon en binnen het uur is het bloedheet. Uit die lange broek, weg met mijn fleece. Vanaf vandaag zitten Stephen en ik alleen in de auto. Het gaat vlot. We rijden pal zuidwaarts onze eerste echte zandduin op en ik gil het uit. De truc? Heel snel omhoog rijden en net over de top stoppen zonder al te bruusk te remmen. Sommige duinen lijken wel van slagroom. Ze steken fel af tegen de blauwe lucht. “Dramatic”, zegt Stephen. Speeltijd, denk ik, als ik hem zie grijnzen terwijl hij gas geeft voor de volgende duin. Gids Mohamed loodst ons feilloos naar de poort van de Akakus. God mag weten hoe hij ze weet te vinden. We laten onze banden af en krijgen nog even een samenvatting van de veiligheidsregels. De Akakus lijkt wel een openluchtmuseum. De zwarte rotsen hebben veel weg van standbeelden, het ene nog realistischer dan het andere. Tussen de grillige formaties liggen piepkleine dorpjes verborgen. Ze worden bevolkt door nomaden die ’s winters naar hier komen omdat dit de warmste plek van de woestijn is. Als we voorbijrijden, komen de kinderen naar buiten gelopen. We geven ze water en frisdrank. Later stoppen we bij eeuwenoude rotsschilderingen. Een van de ontelbare vindplaatsen die deze streek rijk is. Voor de ingang zit een stokoude, tandenloze man. Naar verluidt is hij de broer van de Toeareg die een Italiaanse vorser hielp om alle tekeningen te catalogeren. Hij lijkt in elk geval vergroeid met het landschap. We eten onder de rotsen. Het is bloedheet als we Tadghalt bezoeken. Dit lijken wel Amerikaanse canyons. We stoppen in een minidorpje. Een paar hutten, drie geiten en dat is het. We fotograferen we Kadija, een prachtig berbermeisje dat haar dorp nog nooit verlaten heeft. Ze kan niet lezen en kent enkel de woestijn. Wat een contrast met mijn eigen zoon, ongeveer even oud en wereldwijs. We bivakkeren op een prachtige vlakte, omringd door zandbergen bezaaid met zwarte stenen. Stephen en ik stoppen er bij wijze van souvenir elk een in onze zak. Met de resten van het vuur bakt de kok zandbrood voor ons. Hoe hij het doet is me een raadsel, maar het smaakt heerlijk, vol en stevig. De ondergaande zon zorgt voor een uniek lichtspel op de donkere rotsen en het rode zand. Zoveel indrukken op een dag, als ik in mijn slaapzak kruip vraag ik me af welke me zullen bijblijven. Net voor ik indommel, hoor ik de berberjongens zingen.
Woensdag “De woestijn is… zwart”
Ik begin elk begrip van tijd te verliezen en weet niet hoeveel dagen we onderweg zijn. Alweer krijg ik mijn tent niet opgevouwen, gelukkig schieten gedienstige handen me ter hulp. Onze Arabische gidsen kennen de woestijn als hun broekzak. Ze werden hier geboren, maar hebben gestudeerd in Europa, Mohamed in Engeland, Imad in Parijs. Allebei willen ze hun brood verdienen in eigen land, allebei in het toerisme. Stephen heeft een schildering ontdekt in een van de vele grotten. De streek is ermee bezaaid, een van de redenen waarom ze onder de hoge bescherming van de Unesco staat. De oudste dateren van 12000 voor Christus. Een van de hoogtepunten vandaag is de beroemde Arch, het resultaat van miljoenen jaren erosie door wind en zand. In de hitte fotograferen we een skelet van een dromedaris, helemaal afgebleekt door de zon. ’s Namiddags surf ik over het zand waarna we onze banden weer oppompen voor een stuk vol pikzwarte stenen. Basalt naar het schijnt. De ondergrond hier is vulkanisch. We stoppen voor een prachtige vallei waar vroeger een permanent Italiaans kamp voor toeristen was gevestigd. Het lijkt wel een theater. Of een stadion. En dan komen we bij ‘De vinger’, het symbool van Libië. Tijd voor ons laatste kamp ‘in autonomie’, in de buurt van de ‘Olifantenboog’. Net voor de zon ondergaat rijden we naar de oase om foto’s te maken. De vrouwen zijn verlegen. De mannen spelen met hun GSM. Het groen is oogverblindend en steekt surrealistisch af tegen de dorre duinen.
Donderdag “Long is the road”
Na 860 km verlaten we de woestijn en bereiken we de eerste tekenen van beschaving. Ik mis het offroad stof meteen. Maar we moeten tanken, dringend. Er is wel benzine, maar geen diesel. Dus moet het dorpshoofd komen om zijn toestemming te geven en de reserves aan te breken. Hij blijkt onvindbaar, dus wagen we het erop en rijden verder met brandstof uit de jerrycans die we allemaal bij hebben. De weg lijkt eindeloos. Ik denk aan het gezwoeg van de arbeiders die hem hebben aangelegd. Overal liggen autowrakken, getuigen van een ver verleden. Stephen haalt zijn hart op en legt ze vast op de gevoelige plaat. We proberen zo zuinig mogelijk te rijden en bereiken tegen zonsondergang Tekerkiba, waar we onze tenten opslaan op Camping Africa, in de schaduw van de Ubari-duinen die we morgen moeten overwinnen. De Garmin Unimog wagen rijdt om brandstof met de jerrycans van alle jeeps. Na een uur volgt het verlossende telefoontje ‘We’ve got fuel’. Ondertussen neem ik mijn eerste douche na vijf dagen. Heerlijk. Hilariteit als ik mijn haardroger opdiep uit mijn reistas en hem insteek aan een paal die normaal voor een generator bedoeld is. Bij het avondeten dragen alle vrouwen hun haar los. Grappig hoe snel je ijdelheid weer de kop opsteekt.
Vrijdag “Fata morgana?”
Slecht geslapen. Te veel geluiden, ik mis de stilte van de woestijn. Vandaag wachten ons de enorme zandduinen rond de camping die we over moeten om bij de vulkanische Ubari-zoutmeren te komen. Er is slechts een mogelijke doorgang, nauwelijks tien meter breed. De gids opent het pad, gevolgd door de Jeeps die allemaal koelbloedig en een voor boven geraken. Voor de vrachtwagens is het andere koek: ze blijven dus beneden. Expeditieleider Gerrit en zijn vrouw Frieda stappen mee in onze Wrangler. “Don’t break”, zegt Gerrit iedere keer tegen Stephen die zich daar niks van aantrekt en meesterlijk de duinen oprijdt. We houden halt bij het water en ik vergaap me aan wat wel een fata morgana lijkt. Prachtig groenblauw water, omringd door een smalle gordel palmbomen tussen de goudkleurige duinen. Terwijl we zitten te picknicken, komen er uit het niets prachtige toearegmannen opduiken die kunstig gemaakte ambachtelijke voorwerpen verkopen. Ik kies een kleurige tas en een zilveren gazelle voor thuis. De terugrit naar de camping verloopt vlekkeloos en dan breekt onze laatste avond aan. We krijgen kip en plaatselijke frietjes. Lekker. Met een alcoholvrije pint bij de hand praten we de uren weg. Morgen wacht Tripoli in de bewoonde wereld. Ik heb nu al heimwee…
<!-- @page { margin: 2cm } P { margin-bottom: 0.21cm } A:link { color: #0000ff } -->
De bezielers van de Jeep Eco Spedition
Met zijn Eco Spedition wilde Jeepclub.be – de officiële club voor Jeep-rijders - bewijzen dat voor het merk de ‘Go anywhere, do anything’ filosofie nog steeds van toepassing is. Er zijn op aarde nog altijd streken waar je enkel met een 4x4 kunt komen. Ook in onherbergzame gebieden kan dat met respect voor de natuur en de lokale bevolking, door te proberen de impact van je verblijf maximaal te beperken.
De expeditie stond onder leiding van Gerrit Seys, voorzitter van de Jeepclub en ervaren globetrotter. Hij werd bijgestaan door karavaanleider Philippe Deleener, een doorgewinterde woestijnreiziger, de Libische gids Mohamed, tolk Imad, een politieagent (verplicht in de woestijn) en een lokaal cateringteam.
In totaal namen tien Jeep Wranglers deel aan de expeditie, samen met twee Unimog Expeditie voertuigen en de MAN TGM expeditievrachtwagen van de organisatie. Zes Wranglers Jk van de Jeepclub werden door ervaren instructeurs (Frederique rules!) naar Libië gereden waar ze in Sheba de vliegtuiggroep opwachtten. Die bestond uit de winnaars van een sales incentive van het merk en de winnaars van de Jeep Eco Challenge. De wagens waren standaard geconfigureerd en allemaal uitgerust met radiocommunicatie en veiligheidsmateriaal. Alle reparaties – die beperkt bleven tot een doorgebrande zekering, een losse startrelais, twee lekke en een gescheurde band - werden ter plaatse doorgevoerd, mede dankzij de vakkundige hulp van Dakar-navigator en mecanicien Serge Bruynkens.
Met dank aan Jeep en het hele Jeepclub-team in de persoon van Gerrit Seys & Frieda De Valck, Philippe Deleener, Serge Bruynkens, Marlyse Gorissen, Thierry Bervoets, Frederique Gysmans en Johan Debast.
Info: www.jeepclub.be.
Libië praktisch
Algemene info in een notendop
Libië stond van oudsher open voor volken en culturen. Dat heeft alles te maken met de natuur en het klimaat. Het land heeft een open ligging aan de Middellandse zee en kent geen natuurlijke barrières. Het bestaat vooral uit woestijn, afgewisseld met kleine oases en een smalle vruchtbare kuststrook. Er zijn geen rivieren, behalve de kunstmatige ‘Great Man Made River’ die werd aangelegd om het noorden van water te voorzien dat in de woestijnondergrond wordt gewonnen. De oppervlakte is voor 95% ongeschikt voor landbouw. Eind jaren vijftig werd olie gevonden, sindsdien stonden de buitenlandse maatschappijen in de rij om het zwarte goud uit de grond te halen. Sinds 1969 wordt het land geregeerd door kolonel Muammar al Gathafi die met zijn bewind een alternatief wilde bieden voor kapitalisme en communisme in combinatie met islamitische ideeën. Hij voerde de ‘dictatuur van de sociale gelijkheid’ in. De principes hiervan worden samengevat in zijn beroemde Groene Boekje dat je haast overal kunt kopen. Zijn antiwesterse beleid en steun aan terreurorganisaties leidden tot jarenlang internationaal isolement. Daar kwam een tiental jaar geleden een einde aan en het land is bezig aan een snelle opmars. Het stelt zijn grenzen nu ook stilaan open voor toerisme. Het heeft zijn bezoekers dan ook heel wat te bieden, met onder andere werelderfgoedlocaties aan de kust (de hellenistische stad Cyrene, de Romeinse havenplaats Leptis Magna en de Fenicische handelspost Sabratha). Het allermooist is echter de woestijn, met als hoogtepunten de oasestad Ghadames en de eeuwenoude rotskunst van de Tadrart Akakus.
Formaliteiten
Het toerisme staat in Libië nog in zijn kinderschoenen. Je hebt een paspoort nodig dat nog minstens zes maanden geldig is na je vertrek. Er mag geen Israëlisch visum instaan en soms wordt gevraagd naar een beëdigde Arabische vertaling van je persoonsgegevens. Verder heb je ook een visum nodig. Wie met een Libische touroperator reist, stuurt zijn visumgegevens per fax en kan hiermee inchecken voor een vlucht naar Libië. Je kunt je visum ook individueel via de ambassade aanvragen. Doe dat zeker een half jaar op voorhand.
Beste reistijd
Van oktober tot april. ’s Zomers is het verzengend heet, behalve aan de kust.
Ernaartoe
Onder andere Lufthansa vliegt vanuit Brussel via Frankfurt op Tripoli. Van daaruit kun je via een binnenlandse vlucht met Libyan Arab Airlines naar Sheba. Info: www.lufthansa.com & www.ln.aero. Je kunt ook een ticket boeken met Afriqiyah Airways (www.afriqiyah.nl).
Touroperators
Libië verovert schoorvoetend een plaatsje in de brochures van de grote touroperators. Denk goed na over wat je precies wilt bezoeken en op welke manier je dat wilt doen. Interessante websites hiervoor zijn www.libyaonline.com en www.libie.starttips.com.
Je kunt ook en plaatselijke touroperator onder de arm nemen voor een programma op maat. Individueel reizen zonder gids is niet toegestaan; je krijgt trouwens ook geen visum en zonder uitnodiging kom je het vliegtuig naar Tripoli niet op. Getest en goed bevonden:AANIA Tours, www.aania.de en Jabal Al-Hassawna Travel & Tourism Services. info@jh-tourism.com. www.jh-tourism.com.
Info
Libische ambassade in België:
Victorialaan 28 te 1050 Brussel.
Tel. 02-649 21 13 en 02-649 37 37 Fax: 02-640 90 76.
Goed om te weten
Libië is een moslimland. Alcohol is er verboden, ook voor toeristen. Let op je kledij. In de grote steden wordt Engels gesproken, verder is alles zowat uitsluitend vermeld in het Arabisch. Het is een zeer veilig land, hoewel de roekeloosheid waarmee de automobilisten rondsuizen angstaanjagend is. Brandstof is er verrassend genoeg schaars maar heel goedkoop. Wie naar de woestijn vertrekt, moet zeker de nodige literatuur, een zaklamp, iPod, batterijen, woestijnkledij, hoge schoenen, een paar fleeces, zonnemelk en een degelijke zonnebril meenemen. Plus oogdruppels. Verpak alle gevoelig materiaal zorgvuldig in plastic zakjes, want het woestijnzand kruipt overal.
Literatuur:
Libië, Nicolien Zuijdgeest (in de Landenreeks)
Lonely Planet, Libya (in het Engels)
Libië, Jos Beelen (in de Dominicus-reeks)
Petit Futé Libye (in het Frans)
Le manuguide de Libye (Frans)
Guide 4 x 4 Gandini: 100 itinéraires dans le désert de Libye.