In het noorden van het eiland Borneo ligt Sarawak, de grootste staat van Maleisië. Het is een mythische plek waar de Blanke Rajahs, piraten en koppensnellers de plak zwaaiden. Het gebied dat begroeid is met ondoordringbare jungle, telt tal van peilloos diepe grotten met een unieke fauna en flora. Een verslag in vier tijden van het onvergetelijke verblijf dat onze reporter in het land van de Dajak gegund was.
Door Filip Matisse
“Kom je voor het Rainforest World Music Festival?", vraagt mijn joviale Chinese buurman me in het vliegtuig dat me van Kuala Lumpur naar Kuching brengt. Het is de eerste etappe in mijn tiendaagse reis doorheen de grootste staat van Maleisië. Ik beken dat ik niet weet waarover hij het heeft. Dus vertelt hij me over het evenement dat sinds een paar jaar midden in de jungle plaatsvindt en elk jaar meer en meer bezoekers aantrekt. “'t Is de laatste dag, ik ga er elk jaar naartoe”, zegt hij. Ik bedank hem voor de tip, maar vanavond wil ik even bijkomen. Ondanks de viersterren service van Etihad Airways gaat een vlucht van 24u met inbegrip van de tussenstops in Abu Dhabi en Kuala Lumpur niet in je koude kleren zitten... Beneden maakt het blauw van de Zuid-Chinese Zee plaats voor het groen van Borneo. Het eiland bestaat uit drie staten: het grootste deel van het grondgebied, de Kalimantan, wordt in beslag genomen door Indonesië, de rest behoort toe aan het kleine sultanaat Brunei dat geprangd ligt tussen Sabah in het noorden en Sarawak in het zuiden, allebei een stuk van Maleisië.
Het is druk aan de receptie van het Hilton in Kuching. De conciërge knipoogt als hij me de sleutels van mijn suite overhandigt. Verrassing: een upgrade die ik dank aan Frank, mijn vriend bij Best Tours. De kamer is groot, comfortabel en licht. Ze biedt een ongelooflijk uitzicht op de Sarawak, de rivier die het eerder Maleisische noorden scheidt van het eerder Chinese zuiden van de stad. De toeristische activiteit van Kuching is geconcentreerd op de zuidelijke oever van de stroom. Links, achter de Main Bazaar Road, waar antiekwinkels en ambachtelijke shops liggen, zie ik de moskee. Aan de overkant ligt het indrukwekkende parlement van Sarawak. Het contrast tussen het moderne, oosters geïnspireerde gebouw en het oude paleis van de Brookes uit 1870, is verbluffend.
Het rijk van de Blanke Rajahs
“Het Astana-park was een bron van vreugde sinds de tuiniers het Engels-Indische gras – ook wel love grass genoemd – onder controle probeerden te krijgen. Het was het enige gras dat geschikt was om perken mee aan te leggen. Onder het gewelf van de gigantische bomen tussen de waaierende palmen en het eeuwige bruidsboeket van frangipanebomen, tierde een schitterende flora welig in al haar pracht: hibiscus, anthurium, ixora, orchideeën en overal de roze-witte watervallen van bougainvillea die in het Maleisisch 'bunga kertas' heten, wat zoveel betekent als papierbloemen.” In haar boek Les Rajahs blancs (dat dateert uit 1986) vertelt de Franse schrijfster Gabrielle Wittkop het waanzinnige verhaal van de Brooke-dynastie die de staat regeerde van 1839 tot 1946. Want hoewel Sarawak altijd een populaire pleisterplaats was voor de Aziatische en Europese schippers die er factorijen openden om producten uit de jungle te verkopen, is de geschiedenis van het gebied vooral verbonden met die van de sultans van Brunei en de nakomelingen van James Brooke. Brooke kwam in 1839 aan in Borneo en kreeg van de sultan de titel van rajah (onderkoning) van Sarawak, bij wijze van beloning voor zijn hulp bij het neerslaan van een opstand van de Dajaks. Hij hervormt de administratie, vaardigt wetten uit en bindt de strijd aan met piraterij. In 1847 wordt hij door de Engelsen benoemd tot algemene Britse consul voor Borneo. Hij regeert tot aan zijn dood, in 1868. Zijn neef Charles volgt hem op en zal Sarawak besturen tot aan zijn overlijden in 1917. De derde en laatste Blanke Raja, zijn zoon Charles Vyner Brooke, moet terugtreden bij de komst van de Japanners tijdens de tweede wereldoorlog. Aldus komt een einde van hun dynastie die meer dan een eeuw heerste. In 1945 wordt Sarawak onder Australisch militair bestuur geplaatst en een jaar later wordt het gebied overgedragen aan de Britse kroon. Net als Sabah en Brunei blijft Sarawak onder Engelse heerschappij na de onafhankelijkheid van Maleisië. Pas in 1963 treedt het toe tot de federatie. Vandaag is Sarawak de meest multiculturele staat van Maleisië. Daar waar het schiereiland voornamelijk bevolkt wordt door islamieten, telt het gebied slechts 22% moslims, tegenover 40% Dajaks van verschillende origine die katholiek maar niet vies van animisme zijn, zeker in de zowat vijfduizend gemeenschapshuizen – de beroemde longhouses - die in de streek verspreid liggen.
De stad van de kat
Kuching betekent kat in het Maleisisch. Vandaar de onwaarschijnlijke beelden van poezen in alle maten en vormen. De hoofdstad vormt de ideale uitvalsbasis om het zuidwesten te verkennen en de nationale parken in de omgeving te verkennen. Ik slenter een paar uur langs het Waterfront, de promenade langs de rivier. Het is er druk ondanks de verstikkende warmte en de sombere wolken die aandrijven vanaf de Santubong-berg. De meeste historische gebouwen werden mooi gerestaureerd. Langs de Main Bazaar stop ik in een van de shophouses waar je tal van inheemse voorwerpen kunt vinden: pillendoosjes, blaaspijpen, maskers, schilden, enzovoort. Ik koop twee kleine houten beeldjes. De verkoopster geeft me ook peperbollen. De zwarte peper van Sarawak met zijn krachtige aroma behoort tot de beste ter wereld. Tegenover de winkeltjes proberen de hawkers elkaar de loef af te steken met hun kleurige marmercakes. Een plaatselijke specialiteit die hier god mag weten waarom vredig naast Viagra-imitaties en andere soortgelijke remedies ligt... Ik krijg er honger van. Op het terras van het James Brooke Café bestel ik een Tiger Beer en een portie nasi lemak – rijst met kokosmelk en gebakken ansjovis. Ik neem er een beetje rendang bij: een dikke vleescurry. De zeilloze tambang boten zien de bui (letterlijk) hangen en steken haastig de rivier over, naar de vier kampungs (dorpjes) aan de overkant. Heel gauw zal het pijpenstelen regenen. En dat duurt, zoals zal blijken, vaak een hele nacht aan een stuk.
Ritchie, de baas van Semengoh
Onderweg naar het Bako-park besluit ik halt te houden in het verzorgingscentrum van Semengoh. Dat bestaat sinds 1975 en vangt zieke orang-oetangs op. Voor wie zich niet dieper in de jungle waagt, is dit de enige manier om deze grote inheemse apen van dichtbij te bekijken. De dieren leven gedeeltelijk in het centrum en gedeeltelijk in de jungle. Zodra ze genezen zijn, leven ze half in het wild; de verzorgers van het centrum voederen ze enkel als er weinig vruchten zijn. Midden in het seizoen van de durian zullen Ritchie en zijn bende je niet verrassen. De apen trekken zich dan liefst terug diep in het bos om hun favoriete vrucht te verorberen. De rest van de tijd wacht je het verrassende spektakel van een troep perfecte dubbelgangers van King Louie die uit de bomen komen om zich in het centrum vol te proppen met papayas, meloenen en bananen. Aan het toekijkende publiek besteden ze nauwelijks aandacht. Voorzichtigheid is nochtans geboden want de kolossen die makkelijk honderd kilo kunnen wegen (ze zijn gemiddeld anderhalve meter groot maar drie meter breed) kunnen ook wild zijn. Getuigen hiervan de foto's van beten opgelopen door te voortvarende bezoekers die de rangers tonen bij wijze van waarschuwing.
Bako, de opening naar de Zuid-Chinese Zee
Een veertigtal kilometer ten noorden van Kuching ligt Bako, omringd door het turkooisblauwe water van de Zuid-Chinese Zee. De plek beschermt een klip van 27 km² tussen de monding van de Sarawak en de Bako. Haar adembenemende schoonheid wordt benadrukt door een versnipperde kuststrook met stranden omringd door kleine baaien, waarboven klippen uittorenen. Vanuit Kampung Bako duurt de oversteek in een gemotoriseerde prauw een half uur, net tijd genoeg om het landschap te bewonderen en te luisteren naar mijn gids die uitlegt dat het park zeventien wandelpaden telt, het ene al wat zwaarder dan het andere. Het is nog vroeg, maar de zon brandt. De prauw houdt halt op een tiental meter van het land. Mangrove, tropische woud, kleine struiken... de waaier van ecosystemen is ruim. Mijn gids wijst me op vier verschillende soorten vleesetende planten en de dischidea rafflesiana, een eigenaardige klimplant met holle bladeren waarin mieren wonen. We lunchen in het parkgebouwtje. Dat omvat een paar woningen (slaapzalen in hutten en kleine chalets voorzien van elementair comfort) en een restaurant. Overal word je lastiggevallen door plagerige makaken die met de inhoud van je tas of je bord gaan lopen als ze de kans zien. Na een bord fried rice en een Tiger trekken we verder, richting mangrove, waar we hopen de beroemde neusapen te zien. Hoewel het een inheemse soort is, worden ze alsmaar zeldzamer. Maar we hebben geluk: na een uurtje stappen, staan we oog in oog met een mannetje. Met zijn komkommervormige neus en zijn bovenmaats lange staart, ziet hij er een beetje lachwekkend uit, maar zijn zachte en expressieve blik maakt hem haast ontroerend. Het dier voelt zich overigens goed thuis in het water en zwemt op zijn hondjes.
In een longhouse
Terug naar Kuching en vertrek naar Batang Ai, dat op vier uur rijden ligt. Het park beslaat een oppervlakte van 240 km² en omvat een stuwmeer. De enige verblijfsmogelijkheid in de buurt is het luxueuze Batang Ai Longhouse Resort dat enkel per boot bereikbaar is. Midden in het meer en de jungle groepeert het complex een tiental huisjes die gebouwd zijn naar het model van de traditionele longhouses. De meeste van deze huizen zijn op palen gebouwd, op vaste grond. Ze zijn tussen drie en zes meter hoog en hebben een of meerdere toegangen. Een van hun belangrijkste kenmerken is de veranda, die dienst doet als gemeenschappelijke ruimte. Daar vinden de sociale, economische en rituele activiteiten plaats. Elke familie bezet haar eigen woonst. Het longhouse loopt verder door in een balkon boven de velden of – in mijn geval – het meer. Achteraan liggen de keukens en de toiletten.
Bij onze aankomst worden we verwelkomd door de vrouw van de huisbaas: een magere maar sterke oude dame vol tatoeages. Haar oorlellen zijn helemaal uitgerokken door haar zware oorbellen. We doen onze schoenen uit en op verzoek van onze gids raken we geen rituele voorwerpen aan. Onze gids vertaalt en maakt grapjes met de gastvrouw. In de veranda hangen posters, kaarten en foto's van dieren uit de streek. Hier en daar een christelijke heilige en vooral veel voetballers. De Wereldbeker in Zuid-Afrika is volop bezig. En zelfs in de meest afgelegen uithoeken volgen Maleisiërs en Dajaks de hoogmis fervent.
We zitten rond een blad met thee en kijken hoe het huis langzaam ontwaakt. Uit elke deur komt een vrouw met haar wasmand. De weinige mannen die er zijn, klussen. Eentje herstelt een oude radio, de anderen maken de visnetten klaar. De meesten zijn weg, uit werken. De kinderen zitten in een longhouse dat tegelijk dienstdoet als school en pensionaat, niet ver hiervandaan. Ze komen enkel in het weekend naar huis. Aan het einde van het bezoek stalt elk gezin een aantal ambachtelijke producten uit op een matje. Iedereen moet echter kunnen zien wat er uitgewisseld wordt. Zo wil de gewoonte, naar verluidt.
De grotten van Gunung Mulu
Om in Gunung Mulu te geraken neem ik het vliegtuig van Kuching naar de kleine luchthaven van Mulu. De vlucht duurt twee uur. Het Nationale Park van Gunung Mulu staat sinds 1972 op de lijst met Unesco Werelderfgoed. Het beslaat 544 km² primair regenwoud dat doorkruist wordt door stromen en rivieren, waar de fauna en flora even weelderig en buitenmaats zijn als de rest. Het park wordt overschaduwd door drie hoge bergen, waaronder de gelijknamige Gunung Mulu met zijn top van 2.377 m. Vier dagen heb je nodig om de top te bereiken. Geen wonder dat deze streek een paradijs is voor trekkers.
Op voorwaarde dat je in (heel) goede conditie bent, tegen muggen, bijen, bloedzuigers en andere vreemdsoortige beestjes kunt, geen last hebt van zware regen en felle hitte, beleef je hier de tijd van je leven als je de Headhunters' Trail volgt. Dat is de beruchte koppensnellersroute – op vier dagen varen en stappen in de jungle, vanuit het parkgebouw.
Wie van klimmen houdt, verkiest wellicht de spectaculaire Pinnacles: wouden van kalkpunten waarvan de top verborgen zit in de nevel. Je komt er via de Gunung Api. Reken toch drie uur varen en twee uur stappen om aan de voet van de berg te geraken (1.750 m). Dan wacht je een heel steile klim van vier uur. En een even lange, en veel lastigere afdaling. Zoals heel wat plekken in het Park moet je de Pinnacles verdienen; nogal wat reizigers haken dan ook af onderweg.
Toch ligt het meest indrukwekkende elders. Verborgen in de jungle ligt het grootste grottennetwerk ter wereld. Om ze te verkennen neem ik mijn intrek in het Royal Mulu Resort, niet ver van de luchthaven en de toegang tot het park. De comfortabele bungalows op palen liggen verspreid rond een rivier in het midden van de jungle. Ze staan op palen, want elke avond regent het zo hard dat de rivier buiten zijn oevers treedt. Ik word 's nachts wakker door het lawaai van de kletterende stortbuien op het dak van de bungalow. Ik ben er niet gerust in en bereid me voor op alle mogelijke rampen: een instorting, een riviertsunami, een aardverschuiving... Maar er gebeurt niets en de volgende ochtend ga ik de grotten bezoeken. Ze zijn te voet of per prauw bereikbaar. Maar eerst wandel ik nog even door het woud via de Canopy Skywalk, een wirwar van loopbruggen tussen de bomen op twintig meter hoogte over een parcours van vijfhonderd meter. De langste ter wereld, naar verluidt. Het uitzicht is uitzonderlijk, maar wie hoogtevrees heeft, blijft hier beter weg. Je zou voor minder duizelig worden. Daarna vaar ik naar de Moon Milk Cave en de Clearwater Cave, verstopt in een kloof boven de Sungai Melinau. 'De grot van het heldere water' is 51 km lang (ja, dat lees je juist). Het is een van de langste in Zuidoost-Azië en dankt zijn naam aan een ondergrondse rivier die door een natuurlijke 'schoorsteen' loopt.
Bat days
Een makkelijke tocht van drie kilometer leidt naar de Deer Cave en zijn buurman, de Lang's Cave. De eerste is onbevattelijk groot. Deze reusachtige grot kan niet bogen op de mooie formaties van de Lang's Cave, maar de indruk is verpletterend. Bewonder het zwarte gewelf... het beweegt. Twee tot drie miljoen (!) vleermuizen wriemelen er door elkaar. Hoe dieper ik de grot inloop, hoe slechter de lucht wordt. De hoop guano op de grond is op sommige plaatsen tot vijf meter hoog en verspreidt een moeilijk te harden ammoniakgeur. De climax van het bezoek is voor 's avonds, als de vleermuizen per duizenden uitvliegen om voedsel te zoeken. Ik installeer me op de observatieplek die speciaal voorzien is om dit ongelooflijke spektakel te bewonderen. Jammer genoeg gooit de moesson roet in het eten. “Als het regent, komen ze niet naar buiten”, zegt de gids. We zouden hun voorbeeld moeten volgen. Ik neem me voor de volgende dag terug te komen. Ook zonder succes. De derde dag worden mijn inspanningen eindelijk beloond. In totaal heb ik meer dan 25km door de jungle geploeterd voor die vleermuizen. Maar het loonde de moeite.
Het park telt nog heel wat andere grotten van hetzelfde kaliber en er worden er elk jaar nieuwe ontdekt. Er zou naar schatting slechts 40ù van de Gunung Mulu geëxploreerd worden. Speleologen kunnen hier hun hart ophalen.
Tien dagen in Sarawak zijn ruimschoots onvoldoende om de 125.000 km² en het twintigtal nationale parken te verkennen. Ondanks de ontbossing die het eiland teistert blijft de staat een ongerepte plek die relatief gespaard bleef van massatoerisme. Zoals Tom Parkinson schrijft in de Lonely Planet (Maleisië, Singapore en Brunei): “Ook al zijn de longhouses nu getooid met schotelantennes en schieten de torens in de stad en de landingsbanen in de stad als paddenstoelen uit de lucht, Sarawak blijft los van de clichés een legendarische plek vol magie.”
Ernaartoe. Vanuit Brussel vliegt Etihad Airways drie keer per week naar Kuala Lumpur. Info & reserveringen: www.etihadairways.com. Voor binnenlandse vluchten op Borneo: Air Asia (www.airasia.com) en MAS Wings (www.maswings.com). Best Tours biedt meerdere circuits, waaronder de Grand Tour van Borneo, vanuit Kuching. Die duurt elf dagen en omvat Sabah. Info: www.besttours.be.
Verblijf. In Kuching: Hilton Kuching Hotel. Tweepersoonskamer vanaf € 87. Info: www.hilton.com. In Batang Ai: Batang Ai Longhouse Resort. Tweepersoonskamer vanaf € 64. Info: www.hilton.com. In Gunung Mulu: Royal Mulu Resort. Bungalow vanaf € 100. Info: www.royalmuluresort.com.
Reizen ter plaatse. In Kuching aan de Main Bazaar Road ligt Borneo Adventure. Dat organiseert rondreizen die de inheemse bevolking ten goede komen. Personeel met kennis van zaken. Een uitstekend adres. Info: www.borneoadventure.com